10

sep

Bij de diensten van 12 september

Hierbij de lezingen voor komende zondag!

 

 

Zondag 12 september 9.30 uur

Psalm 78:

 

1 Een kunstig lied van Asaf.

 

Luister, mijn volk, naar wat ik leer,

hoor de woorden uit mijn mond.

2 Ik open mijn mond voor een wijze les,

spreek uit wat sinds lang verborgen is.

3 Wij hebben het gehoord, wij weten het,

onze ouders hebben het ons verteld.

 

4 Wij willen het onze kinderen niet onthouden,

wij zullen aan het komend geslacht vertellen

van de roemrijke, krachtige daden van de HEER,

van de wonderen die hij heeft gedaan.

 

5 Hij stelde een richtlijn vast voor Jakob

en kondigde in Israël een wet af.

Onze voorouders gaf hij de opdracht

die aan hun kinderen te leren.

6 Zo zou het volgende geslacht ervan weten,

en zij die nog geboren moesten worden,

zouden het weer aan hun kinderen vertellen.

 

7 Dan zouden zij op God vertrouwen,

Gods grote daden niet vergeten

en zich richten naar zijn geboden.

8 Dan zouden zij niet worden als hun voorouders,

een onwillig en opstandig geslacht,

onstandvastig van hart en geest,

een geslacht dat God ontrouw was.

 

9 De mannen van Efraïm,

bewapend met pijl en boog,

trokken zich terug op de dag van de strijd.

10 Zij hielden zich niet aan het verbond met God

en weigerden te leven naar zijn wet.

11 Zij vergaten zijn grote daden,

de wonderen die hij had getoond.

 

12 In het land Egypte, in de vlakte van Soan

zagen hun voorouders hoe hij een wonder verrichtte:

13 hij spleet de zee en voerde hen erdoor,

als een dam hield hij het water tegen.

 

14 Hij leidde hen met een wolk overdag,

in de nacht met een lichtend vuur.

15 Hij spleet de rotsen in de woestijn

en leste hun dorst met een watervloed,

16 uit de steen ontsprongen beken,

het water stroomde als rivieren.

 

17 Maar zij bleven tegen hem zondigen,

de Allerhoogste tergen in de woestenij.

18 Met opzet daagden zij God uit

en riepen om eten zo veel als ze wilden.

 

19 Zij beledigden God

en zeiden: ‘Zou God in staat zijn

een tafel te dekken in de woestijn?

20 Toen hij op de rots sloeg,

vloeide er water,

stroomden er beken –

maar zou hij zijn volk ook

brood en vlees kunnen geven?’

 

21 Toen de HEER dat hoorde, ontstak hij in woede,

een vuur laaide op tegen Jakob,

tegen Israël ontbrandde zijn toorn.

22 Want zij hadden God niet geloofd,

niet vertrouwd op zijn hulp.

 

23 Hij gaf een bevel aan de hoge wolken

en de deuren van de hemel gingen open,

24 manna om te eten regende op hen neer.

Hij schonk hun het koren van de hemel,

25 zij aten het brood van de engelen,

hij stuurde voedsel dat hen verzadigde.

 

26 Hij liet uit de hemel de oostenwind los,

de zuidenwind wakkerde hij aan,

27 en vlees regende als stof op hen neer,

vogels zo talrijk als zandkorrels aan de zee,

28 hij liet ze vallen midden in zijn kamp,

in een kring om zijn tabernakel.

 

29 Zij aten en werden meer dan verzadigd,

hij gaf hun zo veel ze begeerden.

30 Maar nauwelijks was hun honger gestild,

hun mond was nog vol eten,

31 of tegen hen ontbrandde Gods toorn,

hij sloeg de vraatzuchtigen dood

en bracht de sterksten van Israël om.

 

32 Toch bleven zij zondigen,

op zijn wonderen vertrouwden zij niet.

33 En hun dagen eindigden in leegte,

hun jaren liepen uit op een verschrikking.

 

34 Zodra er doden vielen, zochten zij God,

zij kwamen tot inkeer en verlangden naar hem,

35 dachten eraan dat God hun rots was,

God, de Allerhoogste, hun bevrijder.

 

36 Maar zij bedrogen hem met hun mond,

met hun tong logen zij hem voor,

37 hun hart was niet aan hem gehecht,

zij waren zijn verbond niet trouw.

 

38 Uit erbarmen bedekte hij hun zonde,

hij wilde geen dood en verderf,

dikwijls bedwong hij zijn toorn

en joeg hij het vuur van zijn woede niet aan.

39 Dan dacht hij: Ze zijn maar vlees,

adem die gaat en niet terugkeert.

 

40 Hoe vaak tergden zij God in de woestijn,

kwetsten zij hem in dat dorre land,

41 hoe vaak keerden zij zich af en daagden zij hem uit,

krenkten zij de Heilige van Israël!

 

42 Zij dachten niet aan zijn helpende hand,

aan de dag dat hij hen verloste van hun belager

43 en in Egypte tekenen verrichtte,

wonderen in de vlakte van Soan.

 

44 Hij veranderde hun rivieren in bloed,

uit geen waterstroom was meer te drinken.

45 Hij stuurde de steekvlieg die hen opvrat,

en de kikvors die verderf bracht.

 

46 Hij gaf hun gewas aan de sprinkhaan,

aan de kaalvreter hun oogst.

47 Hij doodde hun wijnstokken met hagel,

hun vijgenbomen met ijzel.

 

48 Hij gaf hun vee aan de hagel prijs,

hun kudden aan het vuur van de bliksem.

49 Hij liet zijn woede op hen los,

toorn, razernij, verschrikking,

en zond hun rampen en onheil.

 

50 Hij baande een weg voor zijn toorn,

hij behoedde hen niet voor de dood,

gaf hun leven prijs aan de pest.

51 Hij doodde in Egypte elke oudste zoon,

de eerstgeboren mannen in de tenten van Cham.

 

52 Maar zijn volk liet hij wegtrekken als een kudde,

hij voerde hen door de woestijn als schapen en geiten,

53 hij leidde hen veilig, zij hadden niets te vrezen,

het water van de zee had hun vijanden bedekt.

 

54 Hij bracht hen naar zijn heilig domein,

naar de berg, met eigen hand verworven,

55 hij joeg vreemde volken voor hen uit,

verdeelde hun land met het meetlint

en liet Israëls stammen wonen in hun tenten.

 

56 Maar zij daagden God uit en tergden hem,

namen de Allerhoogste en zijn richtlijnen niet ernstig,

57 ze werden afvallig en ontrouw zoals hun voorouders,

ze faalden als een bedrieglijke boog,

58 griefden hem met hun offerdienst op de hoogten

en wekten met hun godenbeelden zijn afgunst.

 

59 Toen God dit hoorde, werd hij verbolgen

en wierp hij Israël ver van zich af.

60 Hij gaf zijn woning in Silo op,

de tent waar hij woonde onder de mensen.

 

61 Hij liet zijn volk gevangen wegvoeren,

leverde zijn sieraad uit aan de belager,

62 gaf zijn sterke mannen prijs aan het zwaard.

Hij was verbolgen op zijn eigen bezit.

 

63 Het vuur verslond zijn jonge mannen,

zijn jonge vrouwen werden niet bejubeld,

64 zijn priesters kwamen om door het zwaard,

zijn weduwen vonden geen tranen meer.

 

65 De Heer ontwaakte als uit een slaap,

als een strijder uit de roes van de wijn,

66 hij joeg zijn belagers terug,

bedekte hen met eeuwige smaad.

 

67 Hij verwierp de tent die bij Jozef stond,

de stam Efraïm koos hij niet,

68 nee, de stam Juda koos hij,

de Sionsberg heeft hij lief.

69 Hij bouwde zijn heiligdom, hoog als de hemel,

en zette het vast als de aarde, voor eeuwig.

 

70 Zijn keuze viel op David, zijn dienaar,

hij riep hem weg bij de schapen,

71 haalde hem achter de zogende ooien vandaan

en maakte hem herder van Jakob, zijn volk,

van Israël, zijn eigen bezit.

72 Hij was een herder met een zuiver hart,

met vaste hand heeft hij hen geleid.

 

 

Zondag 12 september 14.00 uur

Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 1:

De enige God

Wij geloven allen met het hart en belijden met de mond, dat er een enig en eenvoudig geestelijk wezen is, dat wij God noemen: eeuwig, ondoorgrondelijk, onzienlijk, onveranderlijk, oneindig, almachtig, volkomen wijs, rechtvaardig, goed en een zeer over­vloedige bron van al het goede.

I Johannes 1:

1 Wat er was vanaf het begin, wat wij gehoord hebben, wat wij met eigen ogen gezien en aanschouwd hebben, wat onze handen hebben aangeraakt, dat verkondigen wij: het Woord dat leven is. 2 Het leven is verschenen, wij hebben het gezien en getuigen ervan, we verkondigen u het eeuwige leven dat bij de Vader was en aan ons verschenen is. 3 Wat wij gezien en gehoord hebben, verkondigen we ook aan u, opdat ook u met ons verbonden bent. En verbonden zijn met ons is verbonden zijn met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus. 4 We schrijven u deze brief om onze vreugde volkomen te maken.
5 Dit is wat wij hem hebben horen verkondigen en wat we u verkondigen: God is licht, er is in hem geen spoor van duisternis. 6 Als we zeggen dat we met hem verbonden zijn terwijl we onze weg in het duister gaan, liegen we en leven we niet volgens de waarheid. 7 Maar gaan we onze weg in het licht, zoals hijzelf in het licht is, dan zijn we met elkaar verbonden en reinigt het bloed van Jezus, zijn Zoon, ons van alle zonde. 8 Als we zeggen dat we de zonde niet kennen, misleiden we onszelf en is de waarheid niet in ons. 9 Belijden we onze zonden, dan zal hij, die trouw en rechtvaardig is, ons onze zonden vergeven en ons reinigen van alle kwaad. 10 Als we zeggen dat we nooit gezondigd hebben, maken we hem tot een leugenaar en is zijn woord niet in ons.

Onze kinderen hebben het zondagmiddag over Lukas 15:1-10 :

1 Alle tollenaars en zondaars kwamen hem opzoeken om naar hem te luisteren. 2 Maar zowel de farizeeën als de schriftgeleerden zeiden morrend tegen elkaar: ‘Die man ontvangt zondaars en eet met hen.’ 3 Jezus vertelde hun toen deze gelijkenis: 4 ‘Als iemand van u honderd schapen heeft waarvan er één verloren is geraakt, laat hij dan niet de negenennegentig andere in de woestijn achter om naar het verdwaalde dier op zoek te gaan tot hij het gevonden heeft? 5 En als hij het gevonden heeft, legt hij het vol vreugde op zijn schouders 6 en gaat hij naar huis. Daar roept hij zijn vrienden en buren bijeen en zegt tegen hen: “Deel in mijn vreugde, want ik heb het schaap gevonden dat verdwaald was.” 7 Ik zeg u: zo zal er in de hemel meer vreugde zijn over één zondaar die tot inkeer komt dan over negenennegentig rechtvaardigen die geen inkeer nodig hebben.

8 En als een vrouw tien drachmen heeft en er één verliest, steekt ze toch de lamp aan, veegt het hele huis schoon en zoekt ze alles af tot ze het muntstuk gevonden heeft? 9 En als ze het gevonden heeft, roept ze haar vriendinnen en buren bijeen en zegt: “Deel in mijn vreugde, want ik heb de drachme gevonden die ik kwijt was.” 10 Zo, zeg ik u, heerst er ook vreugde onder de engelen van God over één zondaar die tot inkeer komt.’

Met een hartelijke, broederlijke groet,
Uw C.C. den Hertog

« Naar overzicht

Wees de eerste die reageert op dit bericht! Klik op Plaats een reactie hierboven.

Vul hieronder je gegevens in om te reageren op dit bericht.