11

sep

Bij de diensten van 19 september

Komende zondagmorgen lezen we verder in de geschiedenis die ons in I Samuel verteld wordt. In hoofdstuk 8 horen we dat het volk vraagt om een koning. Daar gaat een wissel om in Israëls geschiedenis en daar begint ook de lange rij van koningen die het volk gehad heeft.

In de middagdienst lezen we verder in de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Afgelopen zondag hoorden we onze vervolgde broeders en zusters belijden wie de Here God is. De vraag die in art.2 aan de orde komt is: hoe kennen we Hem nou? Dat is een belangrijke vraag, zeker ook vandaag: hoe kennen we God? In een gesprek met buitenstaanders is dat één van de grote vragen: hoe weten jullie dat allemaal over die God van jullie? Ik denk dat art.2 ons veel te zeggen heeft, juist ook als het gaat om het gesprek met hen die buiten staan. Leest u artikel 2 hieronder maar alvast eens door …

Dinsdagavond is er om 19.30 een avond in de kerk voor ouders van jongeren van 9-19. Graag willen verschillende betrokkenen bij het kinder- en jeugdwerk iets doorgeven van wat er zoal gedaan wordt voor uw (klein)kind. Dat is veel en het is daarom belangrijk dat u komt! Het zal vooral gaan om informeren en stimuleren. Van harte welkom!

Zondag 19 september 9.30 uur

I Samuel 8:

1 Toen Samuel oud geworden was, benoemde hij zijn zonen tot rechters over Israël. 2 De oudste heette Joël en de tweede Abia. Ze bestuurden het land vanuit Berseba. 3 Maar ze volgden het voorbeeld van hun vader niet na: ze waren op eigen voordeel uit, namen steekpenningen aan en verdraaiden het recht. 4 De oudsten van Israël kwamen daarom bij elkaar en gingen naar Rama, naar Samuel. 5 ‘U bent oud geworden,’ zeiden ze, ‘en uw zonen volgen uw voorbeeld niet na. Benoem liever een koning om ons te besturen, zoals alle andere volken er een hebben.’ 6 Samuel vond het ontoelaatbaar dat ze om een koning vroegen. Daarom richtte hij een gebed tot de HEER, 7 maar die antwoordde: ‘Geef gehoor aan de stem van het volk, aan alles wat ze je vragen. Jou verwerpen ze niet. Ze verwerpen juist mij als hun koning. 8 Zo is het altijd gegaan, vanaf de dag dat ik hen uit Egypte heb geleid tot nu toe. Ze hebben mij de rug toegekeerd en andere goden gediend, en zo vergaat het nu ook jou. 9 Geef dus gehoor aan hun verzoek, maar waarschuw hen door uitdrukkelijk te wijzen op de rechten die aan het koningschap verbonden zijn.’

10 Samuel vertelde alles wat de HEER had gezegd aan het volk, dat om een koning vroeg. 11 Toen zei hij: ‘Dit zijn de rechten die aan het koningschap verbonden zijn: Uw zonen zal een koning u afnemen en ze indelen bij zijn strijdwagens, zijn ruiterij of zijn persoonlijke escorte, 12 of ze aanstellen als bevelhebbers over duizend man of over vijftig. Hij zal ze zijn akkers laten ploegen, zijn oogst laten binnenhalen en zijn wapens en strijdwagens laten maken. 13 Uw dochters zal hij u afnemen om ze zalf te laten bereiden en te laten koken en bakken. 14 Uw vruchtbaarste landerijen, wijngaarden en olijfgaarden zal hij u afnemen en toewijzen aan zijn hovelingen. 15 Van de opbrengst van uw akkers en wijngaarden zal hij een tiende deel opeisen en dat aan zijn hovelingen en hoge ambtenaren geven. 16 Uw beste slaven en slavinnen en uw sterkste arbeidskrachten zal hij u afnemen om ze voor zichzelf te laten werken, en ook uw ezels. 17 Van uw schapen en geiten zal hij een tiende deel opeisen en ook uzelf zult hem moeten dienen. 18 En wanneer u dan de HEER te hulp roept tegen de koning die u zelf gewild hebt, dan zal hij u niet verhoren.’

19 Het volk trok zich niets van Samuels woorden aan en zei: ‘Nee, we willen een koning en anders niet! 20 Dan pas zullen we gelijk zijn aan alle andere volken. We willen dat een koning ons bestuurt en recht over ons spreekt, voor ons uittrekt en ons voorgaat in de strijd.’ 21 Samuel hoorde aan wat het volk te zeggen had en bracht het over aan de HEER. 22 Toen zei de HEER tegen Samuel: ‘Geef gehoor aan hun verzoek en stel een koning over hen aan.’ En Samuel zei tegen de Israëlieten dat iedereen naar zijn eigen stad moest terugkeren.

Zondag 19 september 14.00 uur

Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 2:

HOE GOD DOOR ONS GEKEND WORDT

Wij kennen Hem op tweeërlei wijze. Ten eerste door de schep­ping, instandhouding en regering van de gehele wereld, aan­gezien deze voor onze ogen is als een prachtig boek, waarin alle schepselen, groot en klein, de letters zijn, die ons te aanschou­wen geven wat van Hem niet gezien kan worden, namelijk zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, zoals de apostel Paulus zegt in Romeinen 1 : 20. Al deze dingen zijn voldoende om de mensen te overtuigen en hun alle verontschuldiging te ontnemen.

Ten tweede geeft Hij Zichzelf nog duidelijker en volkomener aan ons te kennen door zijn heilig en goddelijk Woord, voor­zover dit voor ons in dit leven nodig is tot zijn eer en tot heil van de zijnen.

Psalm 19:

Voor de koorleider. Een psalm van David. De hemel verhaalt van Gods majesteit, het uitspansel roemt het werk van zijn handen,de dag zegt het voort aan de dag die komt, de nacht vertelt het door aan de volgende nacht. Toch wordt er niets gezegd, geen woord gehoord, het is een spraak zonder klank.Over heel de aarde gaat hun stem,hun stem – Volgens de oudste vertalingen. MT: ‘hun meetlint’.tot aan het einde van de wereld hun taal.

Daar heeft hij een tent opgeslagen voor de zon:6 een jonge bruidegom die het bruidsbed verlaat,een held die vrolijk voortrent op zijn weg.Aan het ene einde van de hemel komt hij op,aan het andere einde voltooit hij zijn loop,niets blijft voor zijn gloed verborgen. De wet van de HEER is volmaakt:levenskracht voor de mens. De richtlijn van de HEER is betrouwbaar:wijsheid voor de eenvoudige.

De bevelen van de HEER zijn eenduidig:vreugde voor het hart.Het gebod van de HEER is helder:licht voor de ogen. Het ontzag voor de HEER is zuiver,houdt stand, voor altijd. De voorschriften van de HEER zijn waarachtig,rechtvaardig, geheel en al. Ze zijn begeerlijker dan goud,dan fijn goud in overvloed,en zoeter dan honing,dan honing vers uit de raat. Uw dienaar laat zich erdoor verlichten,wie ze opvolgt wordt rijk beloond. Maar wie kan al zijn fouten kennen?Spreek mij vrij van verborgen zonden.Bescherm mij, uw dienaar, en laat hoogmoedniet over mij heersen, dan zal ik volmaakt zijn en bevrijd van grote zonde.Laten de woorden van mijn mond u behagen,de overpeinzingen van mijn hart u bekoren,HEER, mijn rots, mijn bevrijder. Onze kinderen hebben het zondagmiddag over Lukas 15:11-32 :

11 Vervolgens zei hij: ‘Iemand had twee zonen. 12 De jongste van hen zei tegen zijn vader: “Vader, geef mij het deel van uw bezit waarop ik recht heb.” De vader verdeelde zijn vermogen onder hen. 13 Na enkele dagen verzilverde de jongste zoon zijn bezit en reisde af naar een ver land, waar hij een losbandig leven leidde en zijn vermogen verkwistte. 14 Toen hij alles had uitgegeven, werd dat land getroffen door een zware hongersnood, en begon hij gebrek te lijden. 15 Hij vroeg om werk bij een van de inwoners van dat land, die hem op het veld zijn varkens liet hoeden. 16 Hij had graag zijn maag willen vullen met de peulen die de varkens te eten kregen, maar niemand gaf ze hem. 17 Toen kwam hij tot zichzelf en dacht: De dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed, en ik kom hier om van de honger. 18 Ik zal naar mijn vader gaan en tegen hem zeggen: “Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u, 19 ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden; behandel mij als een van uw dagloners.” 20 Hij vertrok meteen en ging op weg naar zijn vader.

Zijn vader zag hem in de verte al aankomen. Hij kreeg medelijden en rende op zijn zoon af, viel hem om de hals en kuste hem. 21 “Vader,” zei zijn zoon tegen hem, “ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u, ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden.” 22 Maar de vader zei tegen zijn knechten: “Haal vlug het mooiste gewaad en trek het hem aan, doe hem een ring aan zijn vinger en geef hem sandalen. 23 Breng het gemeste kalf en slacht het. Laten we eten en feestvieren, 24 want deze zoon van mij was dood en is weer tot leven gekomen, hij was verloren en is teruggevonden.” En ze begonnen feest te vieren.

25 De oudste zoon was op het veld. Toen hij naar huis ging en al dichtbij was, hoorde hij muziek en gedans. 26 Hij riep een van de knechten bij zich en vroeg wat dat te betekenen had. 27 De knecht zei tegen hem: “Uw broer is thuisgekomen, en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen.” 28 Hij werd woedend en wilde niet naar binnen gaan, maar zijn vader kwam naar buiten en trachtte hem te bedaren. 29 Hij zei tegen zijn vader: “Al jarenlang werk ik voor u en nooit ben ik u ongehoorzaam geweest als u mij iets opdroeg, en u hebt mij zelfs nooit een geitenbokje gegeven om met mijn vrienden feest te vieren. 30 Maar nu die zoon van u is thuisgekomen die uw vermogen heeft verkwanseld aan de hoeren, hebt u voor hem het gemeste kalf geslacht.” 31 Zijn vader zei tegen hem: “Mijn jongen, jij bent altijd bij me, en alles wat van mij is, is van jou. 32 Maar we konden toch niet anders dan feestvieren en blij zijn, want je broer was dood en is weer tot leven gekomen. Hij was verloren en is teruggevonden.”’

 

Met een hartelijke, broederlijke groet,

Uw C.C. den Hertog

« Naar overzicht

Wees de eerste die reageert op dit bericht! Klik op Plaats een reactie hierboven.

Vul hieronder je gegevens in om te reageren op dit bericht.