22

sep

Bij de diensten van 26 september

In de morgendienst gaat  ds D.J. Steensma voor. Hij preekt over 1 Korinthe 3:10-23 en de tekst is vers 22 en 23. ’s Middags gaan we verder met de Nederlandse geloofsbelijdenis. Ik wil de artikelen 3-7 behandelen. Maakt u zich geen zorgen, die gaan we niet allemaal lezen in de dienst. Ik zal er een aantal hoofdlijnen uit halen. Ik stuur ze u wel compleet toe, zodat u ze voor uzelf wel alvast kunt doornemen. De schriftlezing erbij is Psalm 119:89-96
 
Zondag 26 september 9.30 uur
 
I Korinthe 3:10-23:
 
10 Overeenkomstig de taak die God mij uit genade heeft opgelegd, heb ik als een kundig bouwmeester het fundament gelegd, en anderen bouwen daarop voort. Laat ieder erop letten hoe hij bouwt, 11 want niemand kan een ander fundament leggen dan er al ligt – Jezus Christus zelf. 12 Of er op dat fundament nu verder wordt gebouwd met goud, zilver en edelstenen of met hout, hooi en stro, 13 van ieders werk zal duidelijk worden wat het waard is. Op de dag van het oordeel zal dat blijken, want dan zal het door vuur aan het licht worden gebracht. Het vuur zal laten zien wat ieders werk waard is. 14 Wanneer iemands bouwwerk blijft staan, zal hij worden beloond. 15 Wanneer het verbrandt, zal hij daarvoor de prijs betalen; hijzelf zal echter worden gered, maar door het vuur heen.
16 Weet u niet dat u een tempel van God bent en dat de Geest van God in uw midden woont? 17 Indien iemand Gods tempel vernietigt, zal God hem vernietigen, want Gods tempel is heilig – en die tempel bent u zelf. 18 Laat niemand zichzelf bedriegen. Wanneer iemand van u denkt dat hij in deze wereld wijs is, moet hij eerst dwaas worden; pas dan kan hij wijs worden. 19 Wat namelijk in deze wereld wijsheid is, is dwaasheid bij God, want er staat geschreven: ‘Hij vangt de wijzen in hun eigen sluwheid.’ 20 En er staat ook geschreven: ‘De Heer kent de gedachten van de wijzen; hij weet dat ze niet meer dan lucht zijn.’ 21 Niemand van u moet zich daarom laten voorstaan op een ander mens, want álles is van u; 22 of het nu Paulus, Apollos of Kefas is, wereld, leven of dood, heden of toekomst – álles is van u. 23 Maar u bent van Christus en Christus is van God.
 
Zondag 26 september 14.00 uur
 
Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 3-7:
 
ARTIKEL 3
 
De Heilige Schrift
 
Wij belijden dat dit Woord van God niet is gezonden noch voortgebracht door de wil van mensen, maar de heilige mannen Gods hebben gesproken, gedreven door de Heilige Geest, zoals de heilige Petrus zegt [2 Petr. 1:21]. Daarna heeft God door een bijzondere zorg voor ons en onze zaligheid, zijn dienaren, de profeten en apostelen, geboden zijn geopenbaarde Woord op schrift te stellen, en zelf heeft Hij met zijn vinger de twee tafelen van de Wet geschreven. Hierom noemen wij zulke geschriften de heilige en goddelijke Schriften.
 
ARTIKEL 4
 
De canonieke boeken van het Oude en het Nieuwe Testament
 
De Heilige Schrift is voor ons vervat in twee delen: het Oude en het Nieuwe Testament. Dit zijn canonieke boeken, waartegen niets valt in te brengen. Hiertoe worden in Gods kerk gerekend: de boeken van het Oude Testament: de vijfboeken van Mozes, namelijk Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri, Deuteronomium; Jozua, Richteren, Ruth, twee boeken van Samuël, twee boeken van de Koningen, twee boeken van de Kronieken, Paralypomenon genaamd, het eerste boek van Ezra, Nehemia, Esther, Job, de Psalmen van David, drie boeken van Salomo namelijk Spreuken, Prediker en Hooglied; de vier grote profeten: Jesaja, Jeremia, Klaagliederen, Ezechiël en Daniël; en vervolgens de andere twaalf kleine profeten, namelijk Hosea, Joël, Amos, Obadja, Jona, Micha, Nahum, Habakuk, Zefanja, Haggaï, Zacharia, Maleachi.
Het Nieuwe Testament: de vier evangelisten Matteüs, Marcus, Lucas, Johannes; de Handelingen der apostelen; de veertien brieven van de apostel Paulus, namelijk aan de Romeinen, twee aan de Korinthiërs, aan de Galaten, aan de Efeziërs, aan de Filippenzen, aan de Kolossenzen, twee aan de Tessalonicensen, twee aan Timoteüs, aan Titus, aan Filemon, aan de Hebreeën; de zeven brieven van de andere apostelen, namelijk de brief van jakobus, twee brieven van Petrus, drie van Johannes, de brief van Judas en de Openbaring van de apostel Johannes.
 
ARTIKEL 5
 
Het gezag van de Heilige Schrift
 
Wij ontvangen al deze boeken alleen als heilig en canoniek om ons geloof daarnaar te richten, daarop te gronden en daarmee te bevestigen. En wij geloven zonder enige twijfel alles wat zij bevatten. En dit niet zozeer omdat de kerk ze aanneemt en als zodanig erkent, maar vooral omdat ons de Heilige Geest getuigenis geeft in onze harten, dat ze van God zijn, terwijl zij ook het bewijs daarvan in zichzelf hebben, aangezien zelfs blinden kunnen tasten dat de dingen die daarin voorzegd zijn, gebeuren.
 
ARTIKEL 6
 
Het onderscheid tussen de canonieke en de apocriefe boeken
 
Wij onderscheiden deze heilige boeken van de Apocriefen, namelijk het derde en vierde boek van Ezra, het boek Tobias, Judith, het boek van de Wijsheid, Jezus Sirach, Baruch, de toevoegingen bij het boek Esther, het gebed van de drie mannen in het vuur, de geschiedenis van Susanna, van het beeld Bel en van de draak, het gebed van Manasse en de twee boeken van de Makkabeeën. De kerk mag deze wel lezen en er ook onderwijs uit ontvangen, voor zover zij overeenstemmen met de canonieke boeken. Maar zij hebben zo’n kracht en gezag niet, dat men door welk getuigenis uit hen dan ook enig punt van het geloof of van de christelijke religie zou kunnen bevestigen. Laat staan dat ze het gezag van de andere heilige boeken zouden kunnen verminderen.
 
ARTIKEL 7
 
De volkomenheid van de Heilige Schrift
 
Wij geloven dat deze Heilige Schrift de wil van God volkomen bevat. En dat alles wat de mens dient te geloven om zalig te worden daarin voldoende onderwezen wordt. Want omdat de gehele wijze van de dienst die God van ons vraagt daarin uitvoerig is beschreven, is het de mensen, zelfs al waren het apostelen, niet geoorloofd, anders te leren dan ons nu geleerd is door de Heilige Schriften. Ja, al was het ook een engel uit de hemel, zoals de apostel Paulus zegt [Gal. 1:8]. Want omdat het verboden is aan het Woord van God iets toe- of iets af te doen [Deut. 4:2;12:32], blijkt daaruit voldoende dat haar leer zeer volmaakt is en in alle opzichten volkomen.
Men mag ook geen geschriften van mensen, hoe heilig zij ook geweest zijn, gelijk stellen met de goddelijke geschriften, noch de gewoonte met de waarheid van God (want de waarheid gaat boven alles), noch het grote aantal, noch de oudheid, noch de concilies, decreten of besluiten. Want alle mensen zijn uit zichzelf leugenaars en ijdeler dan de ijdelheid zelf [Ps. 62:10]. Daarom verwerpen wij van ganser harte alles wat met deze onfeilbare regel niet overeenkomt, zoals de apostelen ons geleerd hebben: Beproeft de geesten of zij uit God zijn [I Joh. 4:1]. Evenzo: Indien iemand tot u komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in uw huis [2 Joh. 10].
 
Psalm 119:89-96:
 
89 HERE, voor eeuwig
staat uw woord in de hemel vast.
90 Uw trouw duurt van geslacht op geslacht,
u hebt de aarde gegrondvest en zij houdt stand.
91 Naar uw voorschriften blijven hemel en aarde bestaan,
alles is aan u onderworpen.
 
92 Verheugde ik mij niet in uw wet,
ik zou vergaan van ellende.
93 In eeuwigheid zal ik uw regels niet vergeten,
daardoor houdt u mij in leven.
 
94 Ik ben van u, red mij,
want steeds zoek ik uw regels.
95 Zondaars zijn uit op mijn ondergang,
maar uw richtlijnen geven mij inzicht.
96 Aan alles, hoe volmaakt ook, zag ik een einde,
maar uw gebod is grenzeloos ruim.
 
 
Onze kinderen hebben het zondagmiddag over Lukas 16:1-17:
 
1 Hij richtte zich ook tot zijn leerlingen: ‘Er was eens een rijke man die een rentmeester had en te horen kreeg dat de rentmeester zijn eigendommen verkwistte. 2 De rijke man riep de rentmeester bij zich en zei tegen hem: “Wat hoor ik over jou? Leg verantwoording af van je beheer, want je kunt niet langer rentmeester blijven.” 3 Toen zei de rentmeester bij zichzelf: Wat moet ik doen nu mijn heer mij het beheer afneemt? Werken op het land kan ik niet, en voor bedelen schaam ik me. 4 Maar ik weet al wat ik moet doen om ervoor te zorgen dat de mensen, wanneer ik van mijn beheerderstaak ben ontheven, mij bij hen thuis ontvangen. 5 Een voor een riep hij de schuldenaars van zijn heer bij zich. De eerste vroeg hij: “Hoeveel bent u mijn heer schuldig?” 6 “Honderd vaten olijfolie,” antwoordde de schuldenaar. De rentmeester zei tegen hem: “Hier is uw schuldbewijs, ga zitten en maak er gauw vijftig van.” 7 Daarna vroeg hij aan de volgende schuldenaar: “En u, hoeveel bent u schuldig?” “Honderd balen graan,” luidde het antwoord. De rentmeester zei: “Hier is uw schuldbewijs, maak er tachtig van.” 8 En de heer prees de oneerlijke rentmeester omdat hij slim had gehandeld. De kinderen van deze wereld gaan immers slimmer met elkaar om dan de kinderen van het licht. 9 Ook ik zeg jullie: maak vrienden met behulp van de valse mammon, opdat jullie in de eeuwige tenten worden opgenomen wanneer de mammon er niet meer is.
10 Wie betrouwbaar is in het geringste, is ook betrouwbaar als het om veel gaat, en wie oneerlijk is in het geringste is ook oneerlijk als het om veel gaat. 11 Als jullie onbetrouwbaar blijken in de omgang met de valse mammon, wie zal jullie dan werkelijk belangrijke dingen toevertrouwen? 12 En als jullie onbetrouwbaar blijken met wat een ander toebehoort, wie zal jullie dan geven wat jullie zelf toekomt? 13 Geen enkele knecht kan twee heren dienen: hij zal de eerste haten en de tweede liefhebben, of hij zal juist toegewijd zijn aan de ene en de andere verachten. Jullie kunnen niet God dienen én de mammon.’
14 De farizeeën, die geldzuchtig waren, hoorden dit alles aan en ze haalden honend hun neus voor hem op. 15 Maar Jezus zei tegen hen: ‘U wilt bij de mensen altijd voor rechtvaardig doorgaan, maar God kent uw hart. Wat bij de mensen in hoog aanzien staat, is een gruwel in de ogen van God.
16 De Wet en de Profeten gaan tot aan Johannes: sindsdien wordt het koninkrijk van God verkondigd, en iedereen wordt met klem genodigd binnen te komen. 17 Maar nog eerder vergaan hemel en aarde dan dat er ook maar één tittel van de wet wegvalt. 18 Wie zijn vrouw verstoot en met een ander trouwt, pleegt overspel, en ook wie trouwt met een vrouw die door haar man is verstoten, pleegt overspel.
 
Met een hartelijke, broederlijke groet,
 
Uw C.C. den Hertog

« Naar overzicht

Wees de eerste die reageert op dit bericht! Klik op Plaats een reactie hierboven.

Vul hieronder je gegevens in om te reageren op dit bericht.