24

mrt

Bij de diensten van zondag 27 maart

De diensten van komende zondag

Zondag 27 maart 9.30 uur

Markus 10:46-52:

46 Ze kwamen in Jericho. Toen hij met zijn leerlingen en gevolgd door een grote menigte weer uit Jericho vertrok, zat daar een blinde bedelaar langs de weg, een zekere Bartimeüs, de zoon van Timeüs. 47 Toen hij hoorde dat Jezus uit Nazaret voorbijkwam, begon hij te schreeuwen: ‘Zoon van David, Jezus, heb medelijden met mij!’ 48 De omstanders snauwden hem toe dat hij zijn mond moest houden, maar hij schreeuwde des te harder: ‘Zoon van David, heb medelijden met mij!’ 49 Jezus bleef staan en zei: ‘Roep hem.’ Ze riepen de blinde en zeiden tegen hem: ‘Houd moed, sta op, hij roept u.’ 50 Hij gooide zijn mantel af, sprong op en ging naar Jezus. 51 Jezus vroeg hem: ‘Wat wilt u dat ik voor u doe?’ De blinde antwoordde: ‘Rabboeni, zorg dat ik weer kan zien.’ 52 Jezus zei tegen hem: ‘Ga heen, uw geloof heeft u gered.’ En meteen kon hij weer zien en hij volgde hem op zijn weg.

Zondag 27 maart 14.00 uur

Filippenzen 2:5-11:

 

5 Laat onder u de gezindheid heersen die Christus Jezus had. 6 Hij die de gestalte van God had, hield zijn gelijkheid aan God niet vast, 7 maar deed er afstand van. Hij nam de gestalte aan van een slaaf en werd gelijk aan een mens. En als mens verschenen, 8 heeft hij zich vernederd en werd gehoorzaam tot in de dood – de dood aan het kruis. 9 Daarom heeft God hem hoog verheven en hem de naam geschonken die elke naam te boven gaat, 10 opdat in de naam van Jezus elke knie zich zal buigen, in de hemel, op de aarde en onder de aarde, 11 en elke tong zal belijden: ‘Jezus Christus is Heer,’ tot eer van God, de Vader.

 

Artikel 18-21 NGB:

 

ARTIKEL 18 De menswording van de Zoon van God

 

Wij belijden dan dat God de belofte die Hij aan de vaderen gedaan had, door de mond van zijn heilige profeten, vervuld heeft door zijn eigen eniggeboren en eeuwige Zoon in de wereld te zenden op de door Hem bestemde tijd. Deze heeft de gestalte van een dienstknecht aangenomen en is de mensen gelijk geworden [Filipp. 2:7] door werkelijk een echte menselijke natuur aan te nemen met al haar zwakheden (met uitzondering van zonde). Hij is ontvangen in de schoot van de gelukzalige maagd Maria door de kracht van de Heilige Geest, zonder toedoen van een man. En [Hij] heeft niet alleen de menselijke natuur aangenomen wat het lichaam betreft, maar ook een ware menselijke ziel, om werkelijk mens te zijn. Want omdat de ziel evenzeer verloren was als het lichaam, was het nodig dat Hij ze beide aannam, om beide zalig te maken.

Daarom belijden wij (tegen de ketterij van de wederdopers, die ontkennen dat Christus menselijk vlees van zijn moeder aangenomen heeft) dat Christus het vlees en bloed van de kinderen deelachtig is geworden [Hebr. 2:14]; dat Hij een vrucht van de lendenen van David is naar het vlees [Hand. 2:30]; geworden uit het nageslacht van David naar het vlees [Rom. 1:3]; een vrucht van de schoot van Maria [Luc. 1:42]; geworden uit de vrouw [Gal. 4:4]; een spruit van David [Jer. 33:15]; een scheut uit de wortel van Isai [Jes. 11:1]; gesproten uit het geslacht van Juda [Hebr. 7:14]; afkomstig van de joden, naar het vlees [Rom. 9:5]; uit het nageslacht van Abraham, aangezien Hij het nageslacht van Abraham heeft aangenomen, en is zijn broeders in alles gelijk geworden, met uitzondering van de zonde [Hebr. 2:17; 4:15]. Zo is Hij in waarheid onze Immanuël, dat is God met ons [Matt. 1:23].

 

ARTIKEL 19 De twee naturen van Christus

Wij geloven dat de persoon van de Zoon door deze ontvangenis onscheidbaar verenigd en verbonden is met de menselijke natuur, zodat er geen twee zonen van God en geen twee personen zijn, maar twee naturen in één persoon verenigd, waarbij echter elke natuur haar onderscheiden eigenschappen behoudt. Zoals de goddelijke natuur altijd ongeschapen gebleven is, zonder begin van dagen of einde van leven (Hebr. 7:3) en hemel en aarde vervult, zo heeft ook de menselijke natuur haar eigenschappen niet verloren, maar is schepsel gebleven, dat een begin van dagen heeft, eindig is van aard en alles behoudt wat bij een echt lichaam behoort. En hoewel Hij haar door zijn opstanding onsterfelijkheid heeft gegeven, heeft Hij de echtheid van zijn menselijke natuur toch niet veranderd, omdat onze zaligheid en onze opstanding mede van de echtheid van zijn lichaam afhankelijk zijn. Maar deze twee naturen zijn zo in één persoon verenigd, dat zij zelfs door zijn dood niet gescheiden zijn geweest. Zo was dus wat Hij bij zijn sterven in de handen van zijn Vader bevolen heeft een echt menselijke geest, die zijn lichaam verliet, maar intussen bleef de goddelijke natuur steeds met de menselijke verenigd, ook zelfs toen Hij in het graf lag. De Godheid hield niet op in Hem te zijn, evenals zij in Hem was toen Hij een klein kind was, hoewel zij zich korte tijd aldus niet openbaarde. Hierom belijden wij, dat Hij werkelijk God en werkelijk mens is. Werkelijk God om door zijn kracht de dood te overwinnen en werkelijk mens om krachtens de zwakheid van zijn vlees voor ons te kunnen sterven.

ARTIKEL 20 De wijze van Gods verlossing

Wij geloven dat God, die volkomen barmhartig en rechtvaardig is, zijn Zoon gezonden heeft om de natuur waarin de ongehoorzaamheid begaan was, aan te nemen om in haar te voldoen en de straf voor de zonden door zijn zeer bitter lijden en sterven te dragen. Zo heeft God dan zijn rechtvaardigheid betoond aan zijn Zoon, toen Hij onze zonden op Hem gelegd heeft. Zijn goedheid en barmhartigheid heeft Hij uitgestort over ons, die schuldig waren en veroordelenswaardig, door in volmaakte liefde zijn Zoon voor ons in de dood te geven en Hem op te wekken tot onze rechtvaardiging, opdat wij door Hem de onsterfelijkheid en het eeuwige leven zouden hebben.

ARTIKEL 21 De voldoening van Christus voor onze zonden

Wij geloven dat Jezus Christus een eeuwige Hogepriester is, onder ede, naar de ordening van Melchisedek [Hebr. 7:21]. Hij heeft zichzelf in onze naam voor zijn Vader gesteld om zijn toorn te stillen met volle genoegdoening, door zichzelf aan het kruishout op te offeren en zijn kostbaar bloed te vergieten tot reiniging van onze zonden, zoals de profeten hadden voorzegd. Want er is geschreven dat de straf op de Zoon van God gelegd is, opdat wij vrede zouden hebben en dat wij door zijn wonden genezen zijn; dat Hij als een lam ter dood geleid is, onder de misdadigers gerekend [Jes. 53:5vv.] en als een misdadiger veroordeeld door Pontius Pilatus, hoewel hij Hem onschuldig verklaard had [Joh. 18:38]. Zo heeft Hij dan betaald, wat Hij niet geroofd had [Ps. 69:S] en heeft geleden, rechtvaardig voor de onrechtvaardigen [1Petr. 3:18], zowel in zijn lichaam als in zijn ziel. Hij ervoer de verschrikkelijke straf die onze zonden verdiend hadden, zodat zijn zweet gelijk werd aan druppels bloed die op de aarde vielen [Luc, 22:44]. Hij heeft geroepen: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? [Matt, 27:46] en heeft dit alles geleden tot vergeving van onze zonden. Daarom zeggen wij terecht met Paulus, dat wij niets anders weten dan Christus en die gekruisigd [1Kor. 2:2]. Wij achten alles voor drek om de uitnemendheid van de kennis van onze Here Jezus Christus [Filipp. 3:8]. Wij vinden alle vertroosting in zijn wonden en behoeven geen enkel ander middel te zoeken of te bedenken, om ons met God te verzoenen dan alleen dit ene offer, eenmaal gebracht, waardoor de gelovigen in eeuwigheid volmaakt worden [Hebr. 10:14]. Dit is de reden waarom Hij door de engel van God Jezus, dat is Zaligmaker, genoemd is, omdat Hij zijn volk zou verlossen van hun zonden [Matt.1:21].

Onze kinderen hebben het zondagmiddag over Lukas 22:47-62:

 

47 Terwijl hij nog sprak, kwam er opeens een horde mensen aan. Voorop liep de man die Judas heette, een van de twaalf; hij ging naar Jezus toe om hem te kussen. 48 Maar Jezus zei tegen hem: ‘Judas, lever je de Mensenzoon uit met een kus?’ 49 Toen degenen die bij hem stonden zagen wat er ging gebeuren, vroegen ze: ‘Heer, zullen we er met het zwaard op los slaan?’ 50 En een van hen sloeg in op de dienaar van de hogepriester en sloeg hem zijn rechteroor af. 51 Maar Jezus zei: ‘Houd daarmee op. Zo is het genoeg!’ Hij raakte het oor aan en genas de man. 52 Tegen de hogepriesters en tempelwachters en de oudsten van het volk die op hem afgekomen waren, zei hij: ‘Als tegen een misdadiger bent u uitgetrokken met zwaarden en knuppels? 53 Dagelijks was ik bij u in de tempel, en toen hebt u geen vinger naar me uitgestoken, maar dit is uw uur, het uur van de macht van de duisternis.’

54 Ze grepen hem vast en voerden hem weg, en brachten hem naar het huis van de hogepriester. Petrus volgde hen op een afstand. 55 Ze staken een vuur aan midden op de binnenplaats en gingen eromheen zitten; Petrus voegde zich bij hen. 56 Een dienstmeisje zag hem bij het vuur zitten, keek hem strak aan en zei: ‘Die man hoorde er ook bij!’ 57 Maar hij ontkende het: ‘Ik ken hem niet eens!’ 58 Even later merkte een ander hem op en zei: ‘Jij bent ook een van hen!’ Maar Petrus zei: ‘Welnee man, helemaal niet.’ 59 En ongeveer een uur later zei nog iemand met grote stelligheid: ‘Ja zeker, die man was ook in zijn gezelschap, hij komt immers ook uit Galilea.’ 60 Maar Petrus zei: ‘Ik weet niet waar je het over hebt.’ En op datzelfde moment, terwijl hij nog sprak, kraaide er een haan. 61 De Heer draaide zich om en keek Petrus aan, en toen herinnerde Petrus zich de woorden van de Heer: ‘Nog voor er vannacht een haan heeft gekraaid zul je mij driemaal verloochenen.’ 62 Hij ging naar buiten en huilde bitter.

 

We wensen elkaar een gezegende (voorbereiding op de) zondag toe. Met een hartelijke, broederlijke groet,

 

Uw C.C. den Hertog

« Naar overzicht

Wees de eerste die reageert op dit bericht! Klik op Plaats een reactie hierboven.

Vul hieronder je gegevens in om te reageren op dit bericht.