28

sep

Bij de diensten van zondag 3 oktober

Komende zondagmorgen willen we verder lezen in de geschiedenis van I Samuël. Israel heeft gevraagd om een koning en de Here God heeft tegen Samuël gezegd dat hij dat verzoek moet inwilligen. Maar aan het einde van hoofdstuk 8 is iedereen naar huis gegaan, zonder dat er een koning is. Hoe gaat dat nu verder? In hoofdstuk 9 en 10 lezen we hoe de Here God zijn koning geeft aan het volk. Een aantal karaktertrekken van deze koning valt direct op en daar zal het zondag over gaan.

De middagdienst is een jeugddienst en daarin  gaat voor ds (jawel!) G. Bruinsma van Frieschepalen. Later deze week hoor ik hopelijk van hem nog wat hij denkt te bepreken en mogelijk stuur ik dat dan alsnog even rond.

Afgelopen zondagmiddag had ik in de dienst nog uw aandacht zullen vestigen op één van de mededelingen. Door al de dingen die ons bezighouden ben ik dat vergeten. Ik hoop er zondagmorgen aandacht aan te geven, maar ik zet het nu ook even op de mail. Wilt u dit bericht met aandacht lezen? En uzelf de vraag stellen of dit misschien de manier zou kunnen zijn voor u of jou om dienstbaar te zijn binnen onze gemeente?

 

Vacature Penningmeester. Onze penningmeesters hebben na jarenlange trouwe dienst gezegd dat zij hun taak binnenkort willen beeindigen.U weet vast en zeker ook dat de kerkenraad zoekt naar opvolger(s) (m/v). Helaas heeft alle speurwerk tot op heden niets opgeleverd. Als dit zo blijft, ontstaat straks een nijpend probleem, dat is méér dan duidelijk. Eigenlijk is het ook ietwat beschamend dat een gemeente van bijna 550 mensen niet kan voorzien in deze taak. De kerkenraad doet nogmaals een dringend beroep op ieder die een bijdrage wil leveren om dit probleem op te lossen. Echt moeilijk is het niet, het vraagt wel nauwkeurigheid en verantwoordelijkheidgevoel. Heroverweeg een eerder besluit,

Vraag informatie bij de penningmeesters Alle Hoogsteen en/of Theo Loonstra, en meldt u bij hen aan voor deze mooie funktie!

 

Ik stuur u aangehangen aan deze mail ook nog even de samenvattingen van de preken tot nu toe over de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Dat doe ik niet omdat ik nou zo onder de indruk ben van mijn verrichtingen, maar dat doe ik omdat ik aan die samenvattingen die u al hebt nog iets heb toegevoegd. Bij elke preek heb ik verwerkingsvragen gevoegd, zodat u voor u zelf of mogelijk op uw Bijbelstudie/groeigroep kunt doorpraten over deze leerdiensten. Het lijkt me wel goed om op deze manier het doordeweekse gebeuren in de gemeente van groeigroepen en dergelijke in verband te brengen met de zondagse diensten. Zo kan er iets van kruisbestuiving optreden en dat lijkt me goed. De samenvattingen van de leerdiensten vindt u ook altijd op de website van de gemeente: www.cgkv-surhuisterveen.nl. Br. Dick Kooy zet ze daar met grote trouw elke keer weer neer. En ter voorbereiding op het bestuderen van een schets, kunt u de gehouden preek daar ook nog eens opnieuw beluisteren. Ik hoop zelf voortaan via de preekpost deze samenvattingen te verspreiden in de week die volgt op de zondag waarop de preek gehouden is.

Ik zou het fijn vinden om eens te horen of u deze samenvattingen voor uzelf of als studiegroep gebruikt. En dan hoor ik ook graag uw op- of aanmerkingen. Het is mijn vaste overtuiging dat het zoeken van het gesprek rond onze belijdenissen ons juist ook vandaag helpt om ons geloof te belijden. Het is om die reden dat ik deze dingen opnieuw rondstuur.

 

Zondag 3 oktober 9.30 uur

 

I Samuël 9:1-10:16:

 

1 In Benjamin woonde een man die Kis heette. Hij was een zoon van Abiël, die een zoon was van Seror, de zoon van Bechorat, de zoon van Afiach. Hij behoorde tot de stam Benjamin en was een vermogend man. 2 Hij had een zoon die Saul heette, een lange, goedgebouwde jongeman die met kop en schouders boven iedereen in Israël uitstak. 3 Op een keer, toen zijn ezelinnen waren zoekgeraakt, zei Kis tegen zijn zoon: ‘Vooruit, ga jij met een van de knechten de ezelinnen zoeken.’ 4 Saul doorkruiste het bergland van Efraïm. Hij zocht in de streek Salisa, maar ze vonden ze niet. Hij zocht in de streek Saälim, maar van de ezelinnen geen spoor. Zo doorzochten ze het hele gebied van Benjamin zonder ze te vinden. 5 Toen ze ten slotte in Suf waren beland, zei Saul tegen zijn knecht: ‘Kom, laten we maar teruggaan, anders maakt mijn vader zich nog ongeruster over ons dan over zijn ezelinnen.’ 6 Maar de knecht antwoordde: ‘We zijn nu juist bij een stad waar een godsman woont. Hij staat hoog aangeschreven, wat hij zegt komt altijd uit. Laten we naar hem toe gaan. Misschien kan hij ons vertellen waar we heen moeten.’ 7 ‘Als we dat doen,’ vroeg Saul, ‘wat kunnen we die man dan geven? Onze mondvoorraad is op, dus we kunnen hem niets te eten aanbieden. En verder hebben we toch niets bij ons?’ 8 ‘Hier heb ik nog een stukje zilver,’ zei de knecht. ‘Dat geef ik aan de godsman, dan zal hij zeggen waar we heen moeten.’ 9 (Vroeger zei men in Israël wanneer men God om raad wilde vragen: ‘Kom, laten we naar de ziener gaan,’ want wat nu een profeet heet, werd vroeger een ziener genoemd.) 10 ‘Dat is een goed voorstel,’ zei Saul tegen zijn knecht. ‘Kom, we gaan.’ En ze begaven zich naar de stad waar de godsman woonde.

11 Toen ze de helling naar de stad op gingen, kwamen ze een paar meisjes tegen die op weg waren om water te putten. ‘Is de ziener in de stad?’ vroegen ze. 12 ‘Jazeker,’ antwoordden de meisjes. ‘Als u snel bent, treft u hem nog. Hij is juist vandaag naar de stad gekomen ter gelegenheid van het offerfeest. 13 Als u nu de stad binnengaat, treft u hem nog aan voordat hij naar de offerhoogte gaat voor het offermaal. De genodigden wachten namelijk met eten op hem, omdat hij het offer moet zegenen voor ze aan de maaltijd beginnen. Maak voort, dan kunt u hem niet mislopen.’ 14 Ze liepen door naar de stad, en juist toen ze de poort binnen wilden gaan kwamen ze Samuel tegen, die op weg was naar buiten, naar de offerhoogte. 15 Een dag voor de komst van Saul had de HEER aan Samuel bekendgemaakt: 16 ‘Morgen om deze tijd stuur ik je een man uit Benjamin. Hem zul je zalven tot vorst over mijn volk Israël. Hij zal mijn volk bevrijden uit de greep van de Filistijnen, want ik heb me hun lot aangetrokken en hun roep om hulp gehoord.’ 17 Zodra Samuel Saul zag, liet de HEER hem weten: ‘Dit is nu de man over wie ik je gezegd heb: “Hij zal mijn volk beteugelen.”’ 18 In de stadspoort sprak Saul Samuel aan en vroeg hem: ‘Kunt u mij zeggen waar de ziener woont?’ 19 ‘Ik ben de ziener,’ antwoordde Samuel. ‘Wees mijn gast en ga mee naar de offerhoogte. Vandaag zult u met mij eten en morgenvroeg zal ik u uitgeleide doen. Ik zal u vertellen wat er in u schuilt. 20 En wat betreft die ezelinnen die nu al drie dagen zoek zijn: maakt u zich geen zorgen, die zijn terecht. Maar naar wie is heel Israël verlangend op zoek? Naar u en uw familie!’ 21 ‘Maar ik hoor bij Benjamin, een van de kleinste stammen van Israël,’ wierp Saul tegen. ‘En in die stam is mijn familie weer de onbelangrijkste. Hoe kunt u dan zoiets zeggen?’ 22 Samuel nam Saul en zijn knecht mee naar de eetzaal en gaf hun daar een plaats aan het hoofd van de tafel. Er waren dertig genodigden. 23 Tegen de offerbereider zei Samuel: ‘Dien nu het stuk vlees op dat ik u gegeven heb met het verzoek het apart te houden.’ 24 De offerbereider nam de rechterachterbout en diende die aan Saul op met de woorden: ‘Alstublieft. Dit stuk is speciaal voor u apart gehouden ter gelegenheid van deze bijeenkomst, die door Samuel is belegd. Laat het u smaken.’ Toen at Saul met Samuel. 25 Daarna gingen ze van de offerhoogte terug naar de stad, waar Samuel op het dak van zijn huis met Saul een vertrouwelijk gesprek had.

26 De volgende morgen, bij het krieken van de dag, riep Samuel naar Saul op het dak: ‘Sta op, ik zal u uitgeleide doen.’ Samen met Samuel ging Saul naar buiten. 27 Toen ze vanaf de stad naar beneden liepen, zei Samuel tegen Saul: ‘Zeg tegen uw knecht dat hij vast vooruitgaat.’ Toen de knecht hen een eind vooruit was, zei Samuel: ‘Blijft u nog even staan, dan zal ik u vertellen wat God met u voorheeft.’

10

1 Hij goot een kruikje olie over Sauls hoofd uit, kuste hem en zei: ‘Hierbij zalft de HEER u tot vorst over het volk dat hem toebehoort.’ 2 Daarna zei hij: ‘Als u straks na ons afscheid verdergaat, zult u in Selsach op de grens met Benjamin bij het graf van Rachel twee mannen aantreffen. Zij zullen u vertellen dat de ezelinnen waarnaar u op zoek was terecht zijn, en dat uw vader zich over hen geen zorgen meer maakt, maar dat hij ongerust is over u en zich afvraagt wat hij moet doen om u te vinden. 3 Wanneer u dan uw weg vervolgt en aankomt bij de Tabor-eik, zult u daar drie mannen tegenkomen die op weg zijn om God in Betel te vereren. De eerste heeft drie geitenbokjes bij zich, de tweede drie broden en de derde een zak wijn. 4 Ze zullen u vragen hoe het met u gaat en u twee broden geven, die u moet aannemen. 5 Als u ten slotte terugkomt in Gibea-Elohim, zult u in de buurt van de stad, bij de Filistijnse wachtpost, een stoet profeten tegenkomen die in vervoering van de offerhoogte afdaalt, voorafgegaan door muzikanten met harpen, tamboerijnen, fluiten en lieren. 6 Dan zult u worden gegrepen door de geest van de HEER en ook in vervoering raken, en u zult een ander mens worden. 7 Tijdens de gebeurtenissen die ik zojuist heb beschreven kunt u doen zoals uw hart u ingeeft, want God staat u bij. 8 Ga daarna door naar Gilgal en wacht daar zeven dagen op mij. Ik zal u achterna reizen om brandoffers en vredeoffers op te dragen. Daarna zal ik u laten weten wat u verder doen moet.’

9 En inderdaad, zodra Saul zich had omgedraaid om zijn weg te vervolgen, maakte God van hem een ander mens. En alle voorspelde gebeurtenissen kwamen diezelfde dag nog uit. 10 Toen ze bij Gibea aankwamen, kwam hun een stoet profeten tegemoet. Saul werd gegrepen door de geest van God en raakte net als zij in vervoering. 11 Allen die hem van vroeger kenden en zagen dat hij zich in vervoering bij de profeten had aangesloten, zeiden tegen elkaar: ‘Wat is er met de zoon van Kis gebeurd? Hoort Saul nu ook al bij de profeten?’ 12 En een van hen merkte op: ‘Wie is hun vader eigenlijk?’ Zo komen we aan de uitdrukking: Hoort Saul nu ook al bij de profeten? 13 Toen zijn vervoering voorbij was, ging Saul naar de offerhoogte. 14 Zijn oom kwam op hem af en vroeg aan hem en zijn knecht waar ze geweest waren. ‘De ezelinnen zoeken,’ antwoordde Saul. ‘Maar we konden ze niet vinden en toen zijn we naar Samuel gegaan.’ 15 ‘En, wat heeft hij tegen jullie gezegd?’ vroeg Sauls oom. 16 ‘Hij heeft ons alleen maar gezegd dat de ezelinnen terecht waren,’ antwoordde Saul. Maar dat Samuel over het koningschap had gesproken vertelde hij niet.

 

Zondag 3 oktober 14.00 uur

 

Onze kinderen hebben het zondagmiddag over Lukas 16:19-31:

 

19 Er was eens een rijke man die gewoon was zich te kleden in purperen gewaden en fijn linnen en die dagelijks uitbundig feestvierde. 20 Een bedelaar die Lazarus heette, lag voor de poort van zijn huis, overdekt met zweren. 21 Hij hoopte zijn maag te vullen met wat er overschoot van de tafel van de rijke man; maar er kwamen alleen honden aanlopen, die zijn zweren likten. 22 Op zekere dag stierf de bedelaar, en hij werd door de engelen weggedragen om aan Abrahams hart te rusten. Ook de rijke stierf en werd begraven. 23 Toen hij in het dodenrijk, waar hij hevig gekweld werd, zijn ogen opsloeg, zag hij in de verte Abraham met Lazarus aan zijn zijde. 24 Hij riep: “Vader Abraham, heb medelijden met mij en stuur Lazarus naar me toe. Laat hem het topje van zijn vinger in water dompelen om mijn tong te verkoelen, want ik lijd pijn in deze vlammen.” 25 Maar Abraham zei: “Kind, bedenk wel dat jij je deel van het goede al tijdens je leven hebt ontvangen, terwijl Lazarus niets dan ongeluk heeft gekend; nu vindt hij hier troost, maar lijd jij pijn. 26 Bovendien ligt er een wijde kloof tussen ons en jullie, zodat wie van hier naar jullie wil gaan dat niet kan, en ook niemand van jullie naar ons kan oversteken.” 27 Toen zei de rijke man: “Dan smeek ik u, vader, dat u hem naar het huis van mijn vader stuurt, 28 want ik heb nog vijf broers. Hij kan hen dan waarschuwen, zodat ze niet net als ik in dit oord van martelingen terechtkomen.” 29 Abraham zei: “Ze hebben Mozes en de profeten: laten ze naar hen luisteren!” 30 De rijke man zei: “Nee, vader Abraham, maar als iemand van de doden naar hen toe komt, zullen ze tot inkeer komen.” 31 Maar Abraham zei: “Als ze niet naar Mozes en de profeten luisteren, zullen ze zich ook niet laten overtuigen als er iemand uit de dood opstaat.”’

 

Met een hartelijke, broederlijke groet,

Uw C.C. den Hertog

« Naar overzicht

Wees de eerste die reageert op dit bericht! Klik op Plaats een reactie hierboven.

Vul hieronder je gegevens in om te reageren op dit bericht.