02

feb

Bij de diensten van zondag 6 februari

Broeders en zusters,

Komende zondag hoop ik in de beide diensten u voor te gaan. In de morgendienst willen we stil staan bij het feit dat het hulpverleningszondag is. Meer dan anders denken we dan aan onze naaste in nood. Ik wil dan met u lezen uit Markus 2:1-12. Jezus verleent hulp, maar dat gaat een beetje anders dan de mensen hadden gedacht. Het laat ons ook direct iets zien over wat christelijke hulpverlening is. In de middagdienst willen we dan verder gaan met het luisteren naar de Nederlandse Geloofsbelijdenis. We zijn bij de stevige artikelen 14 en 15. Die spreken ons over de erfzonde. We hopen zondag het evangelie in deze woorden te horen. Want juist dat wordt hier verkondigd! We lezen Psalm 51 erbij.

Mag ik u nog eens herinneren aan de oproep voor een notulist (m/v) voor de kerkenraad? Het gaat dan dus om de taak van onze zr. Terpstra. Haar termijn zit er in principe op. Het belangrijkste is het verzorgen van de notulen van de kerkenraad en van het moderamen (dat zijn in principe 2 avonden per maand) – en verder hier en daar wat hand- en spandiensten. Wilt u eens nadenken over de vraag of dit iets voor u zou kunnen zijn? Wanneer u meer informatie wilt, dan kunnen broeder Wolters of zuster Terpstra dat gemakkelijk verstrekken.

De diensten van komende zondag

Zondag 6 februari 9.30 uur

Markus 2:1-12:

1 Toen hij enkele dagen later terugkwam in Kafarnaüm, werd bekend dat hij weer thuis was. 2 Er stroomden zo veel mensen toe dat er zelfs voor de deur geen plaats meer was, en hij verkondigde hun Gods boodschap. 3 Er werd ook een verlamde bij hem gebracht, die door vier mensen gedragen werd. 4 Omdat ze zich niet door de menigte konden wringen, haalden ze een stuk van het dak weg boven de plaats waar Jezus zat, en toen ze een opening hadden gemaakt, lieten ze de verlamde op zijn draagbed naar beneden zakken. 5 Bij het zien van hun geloof zei Jezus tegen de verlamde: ‘Vriend, uw zonden worden u vergeven.’
6 Er zaten ook een paar schriftgeleerden tussen de mensen, en die dachten bij zichzelf: 7 Hoe durft hij dat te zeggen? Hij slaat godslasterlijke taal uit: alleen God kan immers zonden vergeven! 8 Jezus had meteen door wat ze dachten en dus zei hij: ‘Waarom denkt u zoiets? 9 Wat is gemakkelijker, tegen een verlamde zeggen: “Uw zonden worden u vergeven” of: “Sta op, pak uw bed en loop”? 10 Ik zal u laten zien dat de Mensenzoon volmacht heeft om op aarde zonden te vergeven.’ Toen zei hij tegen de verlamde: 11 ‘Ik zeg u, sta op, pak uw bed en ga naar huis.’ 12 Meteen stond hij op, pakte zijn bed en ging weg; allen die dit zagen, stonden versteld en loofden God. ‘Zoiets hebben we nog nooit gezien,’ zeiden ze.

Zondag 6 februari 14.00 uur

Nederlandse Geloofsbelijdenis artikel 14 en 15:

ARTIKEL 14 Schepping, val en verdorvenheid van de mens

Wij geloven dat God de mens geschapen heeft uit het stof der aarde, en hem gemaakt en gevormd heeft naar zijn beeld en gelijkenis, goed, rechtvaardig en heilig, zodat hij met zijn wil in alles kon overeenstemmen met de wil van God. Maar toen hij in ere was, heeft hij het niet verstaan [Ps. 49:21] en zijn uitnemendheid niet ingezien, maar heeft zichzelf willens en wetens aan de zonde onderworpen, en daarmee aan de dood en de vervloeking, door gehoor te geven aan het woord van de duivel. Want het gebod ten leven, dat hij ontvangen had, heeft hij overtreden en door zijn zonde heeft hij zich losgemaakt van God, die zijn ware leven was. Hij heeft zijn gehele natuur verdorven, waardoor hij de lichamelijke en geestelijke dood verdiend heeft. En doordat hij in al zijn doen en laten goddeloos, verkeerd en verdorven is geworden, heeft hij zijn voortreffelijke gaven die hij van God ontvangen had, verloren. Hij heeft daarvan niets anders overgehouden dan kleine overblijfselen, die voldoende zijn om de mens iedere verontschuldiging te ontnemen. Al het licht in ons is immers in duisternis veranderd, zoals de Schrift ons leert: het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet begrepen [Joh. 1:5] waar de heilige Johannes de mensen duisternis noemt. Daarom verwerpen wij alles wat men in strijd hiermee leert over de vrije wil van de mens, aangezien de mens niets dan een slaaf van de zonde is en niets kan hebben, tenzij het hem uit de hemel gegeven is [Joh. 3:27]. Want wie is er die zich er op beroemen kan uit zichzelf iets goeds te kunnen doen? Christus zegt immers: Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekt [Joh. 6:44]. Wie zal aankomen met Zijn eigen wil, die begrijpt dat de gezindheid van het vlees vijandschap tegen God is [Rom. 8:7]? Wie zal over zijn kennis spreken, als hij inziet dat de natuurlijke mens met begrijpt wat van de Geest van God is [1 Kor. 2:14]? Kortom, wie zal een enkele gedachte in het midden brengen, omdat hij beseft dat wij van onszelf met bekwaam zijn iets te denken als uit onszelf, maar dat onze bekwaamheid van God is [2 Kor. 3:5]?
En daarom behoort wat de apostel zegt terecht voor vast en zeker gehouden te worden, dat God in ons werkt het willen en het volbrengen, naar zijn welbehagen [Filipp. 2:13]. Want er is geen verstand en wil in overeenstemming met het verstand en de wil van God, of Christus heeft die in de mens tot stand gebracht, wat Hij ons leert als Hij zegt: Zonder Mij kunt gij niets doen [Joh.15:5].

ARTIKEL 15 De erfzonde

Wij geloven dat door de ongehoorzaamheid van Adam de erfzonde zich over heel het menselijk geslacht heeft verbreid. Zij is een verdorvenheid van de gehele natuur en een erfelijk gebrek, waarmee zelfs de kleine kinderen in de moederschoot besmet zijn en die in de mens, als uit een wortel, allerlei zonden voortbrengt. Zij is zo lelijk en gruwelijk voor God, dat er voldoende reden is om het menselijk geslacht te verdoemen. Zij wordt ook zelfs door de doop niet helemaal te niet gedaan, noch geheel uitgeroeid, aangezien de zonde daaruit altijd als opwellend water ontspringt, als uit een onzalige fontein. Zij wordt evenwel de kinderen van God niet tot hun veroordeling toegerekend, maar door zijn genade en barmhartigheid vergeven. Niet om in de zonde gerust te slapen, maar opdat het gevoelen van deze verdorvenheid de gelovigen dikwijls zou doen zuchten, in het verlangen om van het lichaam des doods verlost te worden. En hiermee verwerpen wij de dwaling van de pelagianen, die zeggen dat deze zonde alleen door navolging plaatsvindt.

Psalm 51:

1 Voor de koorleider. Een psalm van David, 2 toen de profeet Natan hem had bezocht, nadat hij met Batseba geslapen had.
3 Wees mij genadig, God, in uw trouw, u bent vol erbarmen, doe mijn daden teniet,

4 was mij schoon van alle schuld,
reinig mij van mijn zonden.

5 Ik ken mijn wandaden,
ik ben mij steeds van mijn zonden bewust,
6 tegen u, tegen u alleen heb ik gezondigd,
ik heb gedaan wat slecht is in uw ogen.

Laat uw uitspraak rechtvaardig zijn
en uw oordeel zuiver.
7 Ik was al schuldig toen ik werd geboren,
al zondig toen mijn moeder mij ontving,
8 maar u wilt dat waarheid mij vervult,
u leert mij wijsheid, diep in mijn hart.

9 Neem met majoraan mijn zonden weg en ik word rein,
was mij en ik word witter dan sneeuw.
10 Laat mij vreugde en blijdschap horen:
u hebt mij gebroken, laat mij ook juichen.
11 Sluit uw ogen voor mijn zonden
en doe heel mijn schuld teniet.


12 Schep, o God, een zuiver hart in mij,
vernieuw mijn geest, maak mij standvastig,
13 verban mij niet uit uw nabijheid,
neem uw heilige geest niet van mij weg.
14 Red mij, geef mij de vreugde van vroeger,
de kracht van een sterke geest.

15 Dan wil ik verdwaalden uw wegen leren,
en zullen zondaars terugkeren tot u.
16 U bent de God die mij redt,
bevrijd mij, God, van de dreigende dood,
en ik zal juichen om uw gerechtigheid.
17 Ontsluit mijn lippen, Heer,
en mijn mond zal uw lof verkondigen.

18 U wilt van mij geen offerdieren,
in brandoffers schept u geen behagen.
19 Het offer voor God is een gebroken geest;
een gebroken en verbrijzeld hart
zult u, God, niet verachten.

20 Wees Sion welgezind en schenk het voorspoed,
bouw de muren van Jeruzalem weer op.
21 Dan zult u de juiste offers aanvaarden,
offers in hun geheel verbrand,
dan legt men stieren op uw altaar.

 

Onze kinderen hebben het zondagmiddag over I Samuël 21:

2 David begaf zich naar Nob, naar de priester Achimelech. Deze kwam hem ongerust tegemoet en vroeg: ‘Waarom bent u alleen, waarom is er niemand bij u?’ 3 ‘Orders van de koning,’ antwoordde David. ‘De koning heeft me belast met een opdracht waarvan niemand iets mag weten. Mijn mannen wachten op me op een afgesproken plek. 4 Maar nu ter zake: wat hebt u in voorraad? Geef me vijf broden, of wat u anders in huis hebt.’ 5 ‘Gewoon brood heb ik niet,’ antwoordde de priester. ‘Ik kan u wel gewijd brood geven, maar alleen als uw mannen geen omgang met een vrouw hebben gehad.’ 6 ‘Wij hebben zoals gewoonlijk de verplichting op ons genomen om ons van de omgang met vrouwen te onthouden,’ antwoordde David. ‘Altijd als ik er met mijn mannen op uit trek zijn wij en alles wat we bij ons hebben gewijd, zelfs als het een gewone onderneming betreft. Dus vandaag zijn we zeker gewijd.’ 7 Daarop gaf de priester hem gewijd brood, want hij had geen ander brood dan het toonbrood uit het heiligdom, dat om de zoveel dagen wordt ververst.

8 Er bevond zich daar op die dag ook een dienaar van Saul, een zekere Doëg uit Edom, de opzichter van Sauls herders. Hij was daar vanwege een of andere verplichting aan de HEER.

9 ‘Hebt u hier misschien ook een lans of een zwaard?’ vroeg David aan Achimelech. ‘Ik heb niet eens mijn zwaard en mijn andere wapens kunnen meenemen, zo veel haast was er bij de opdracht van de koning.’ 10 ‘Ik heb hier het zwaard van de Filistijn Goliat, die u in de Terebintenvallei verslagen hebt,’ antwoordde de priester. ‘Daar hangt het, achter het priestergewaad, gewikkeld in een doek. Als u wilt kunt u het meenemen. Een ander wapen is hier niet.’ ‘Zoals dit is er geen tweede,’ zei David. ‘Geef het mij.’

11 Nog diezelfde dag zette David zijn vlucht voor Saul voort, tot hij bij Achis kwam, de stadsvorst van Gat. 12 De hovelingen van Achis zeiden tegen hun vorst: ‘Is dat niet David, de koning van het land? Is dat niet degene over wie ze triomfantelijk hebben gezongen: “Saul versloeg ze bij duizenden, David bij tienduizenden”?’ 13 Deze woorden ontgingen David niet, en hij werd bang dat Achis hem kwaad zou doen. 14 Daarom deed hij net alsof hij gek was: toen ze hem beetpakten, ging hij als een waanzinnige tekeer, kraste tekens op de deuren van de poort en kwijlde in zijn baard. 15 ‘Zien jullie niet dat die man gek is?’ zei Achis tegen zijn dienaren. ‘Waarom brengen jullie hem bij mij? 16 Heb ik hier soms geen gekken genoeg, dat jullie hem bij me brengen om tegen me tekeer te gaan? Wat moet die kerel in mijn paleis?’

We wensen elkaar een gezegende zondag toe. Met een hartelijke, broederlijke groet,

Uw C.C. den Hertog

« Naar overzicht

Wees de eerste die reageert op dit bericht! Klik op Plaats een reactie hierboven.

Vul hieronder je gegevens in om te reageren op dit bericht.