24

aug

Preekpost zondag 29 augustus

Broeders en zusters,

 

Over Calvijn zijn verschillende mooie verhalen bekend. Eén van de aardigste vind ik zelf het volgende. Misschien weet u dat Calvijn gedurende een bepaalde periode van zijn leven verbannen was vanuit Genève. Er was een conflict met het stadsbestuur over de inrichting van het kerkelijk leven en Calvijn kreeg te horen dat hij mocht verdwijnen. Zo ging hij naar Straatsburg. Na verloop van tijd kreeg hij bericht dat hij terug mocht komen – ja, hem werd zelfs nadrukkelijk gevraagd om terug te willen komen. Hij zag daar nogal tegenop, want hij bewaarde niet al te prettige herinneringen aan de stad Genève. Toch ging hij in het besef dat God hem riep. Toen hij weer terug was, ging hij verder waar hij gebleven was: hij was bezig met een serie preken toen hij vertrok – en toen hij terugkwam, ging hij gewoon met die serie door. Iets onverstoorbaars spreekt daaruit en ik vind dat mooi. En niet alleen mooi – ook passend bij de zaak van het evangelie.

Waarom vertel ik dat? Omdat iets van die onverstoorbaarheid zondag ook zichtbaar wordt. We hebben twee bijzondere diensten. In de morgendienst staat de voorbereiding op het avondmaal van 5 september centraal. We gaan echter niet ineens iets anders lezen dan we de afgelopen weken gelezen hebben; we lezen eenvoudig verder in de geschiedenis die ons in I Samuel verteld wordt. Dan is dus I Samuel 4 aan de beurt, waar we lezen dat de ark van het verbond wordt buitgemaakt door de Filistijnen. Israël had die ark als een soort mascotte gebruikt in plaats van als teken dat naar Gods Woord wijst. We willen horen wat het ons zegt in het toeleven naar het avondmaal.

De middagdienst is een doopdienst. De kleine Doutzen de Boer ontvangt het teken van de heilige Doop. Maar ook dan worden we niet van de wijs gebracht en lezen we ‘gewoon’ verder in waar we mee bezig zijn. Dat betekent dat we de catechismus uit gaan lezen. De laatste twee vragen worden besproken. Ze zullen ons echter bij een doop voldoende meegeven! Want waarom richten we ons eigenlijk tot de Here onze God met onze gebeden? Waarom brengen wij onze kinderen tot Hem en ontvangen we het teken van de doop voor hen? Wat heeft het ons te zeggen dat we ‘amen’ zeggen aan het einde van ons gebed? We zeggen het zo gemakkelijk en het betekent vaak voor ons weinig meer dan: ‘klaar’. Maar de Catechismus wil ons in ons gebed op een andere toonhoogte brengen.

We lezen daarbij uit de brief aan de Efeziërs waar de apostel in zijn lofprijzing dankt dat God bij machte is oneindig veel meer te doen dan wij bidden of beseffen. Dat is de taal van het geloof die we ook horen in het laatste antwoord van de Catechismus: het is veel zekerder dat God mij hoort dan dat ik voel dat ik die verhoring van Hem begeer.

 

Zondag 29 augustus 9.30 uur

 

I Samuel 4:1-22:

 

Israël trok ten strijde tegen de Filistijnen en legerde zich bij Eben-Haëzer; de Filistijnen echter hadden zich gelegerd te Afek. 2 De Filistijnen stelden zich in slagorde op tegenover Israël. De strijd werd algemeen en Israël leed de nederlaag tegen de Filistijnen; en dezen versloegen in de slag op het open veld ongeveer vierduizend man. 3 Toen het volk in de legerplaats terugkeerde, zeiden de oudsten van Israël: Waarom heeft de HERE ons heden de nederlaag laten lijden tegen de Filistijnen? Laten wij de ark van het verbond des HEREN uit Silo halen, zodat die midden onder ons kome en ons verlosse uit de macht onzer vijanden. 4 Daarop zond het volk bericht naar Silo, en zij brachten vandaar de ark van het verbond des HEREN der heerscharen, die op de cherubs troont; daar waren bij de ark van het verbond Gods de beide zonen van Eli, Chofni en Pinechas. 5 Zodra de ark van het verbond des HEREN in de legerplaats kwam, hief geheel Israël een gejuich aan, zo luid, dat de aarde dreunde. 6 En de Filistijnen, die dat gejuich hoorden, zeiden: Wat betekent toch dat luide gejuich in de legerplaats der Hebreeën? Toen zij vernamen, dat de ark des HEREN in de legerplaats gekomen was, 7 werden de Filistijnen bevreesd, want zij zeiden: God is in de legerplaats gekomen, en zij zeiden: Wee ons, want zo iets is noch gisteren noch eergisteren geschied. 8 Wee ons! Wie redt ons uit de macht van deze geweldige god? Dit is dezelfde god, die de Egyptenaren met allerlei plagen in de woestijn geslagen heeft. 9 Grijpt moed en zijt mannen, gij Filistijnen, opdat gij geen slaven der Hebreeën wordt, zoals zij van u geweest zijn. Zijt mannen en strijdt! 10 Toen streden de Filistijnen en Israël werd verslagen. Ieder vluchtte naar zijn tent, en de slachting was zeer groot: van Israël vielen dertigduizend man voetvolk. 11 Ook werd de ark Gods buitgemaakt en de beide zonen van Eli, Chofni en Pinechas, vonden de dood.

12 Een Benjaminiet snelde weg uit de gelederen en bereikte nog op dezelfde dag Silo, in gescheurde klederen en met aarde op zijn hoofd. 13 Toen hij aankwam, zie, Eli zat op zijn stoel aan de kant van de weg in afwachting, want zijn hart was vol zorg over de ark Gods. Toen de man in de stad kwam en het bericht overbracht, ging er een gejammer door de gehele stad. 14 Eli hoorde het jammergeschrei en vroeg: Wat is dat voor een rumoer? De man haastte zich naar Eli en deelde het hem mee. 15 Eli nu was achtennegentig jaar oud en zijn ogen stonden star, zodat hij niet zien kon.

16 De man zeide tot Eli: Ik kom van het slagveld; ik ben vandaag nog van het slagveld gevlucht. Hij zeide: Wat is er gebeurd, mijn zoon? 17 De boodschapper antwoordde: Israël is voor de Filistijnen op de vlucht geslagen; een grote nederlaag heeft het volk geleden; ook uw beide zonen, Chofni en Pinechas, zijn dood, en de ark Gods is buitgemaakt. 18 Toen hij melding maakte van de ark Gods, viel Eli achterover van zijn stoel naast de poort, brak zijn nek en stierf. Want de man was oud en zwaar. En hij was veertig jaar richter over Israël geweest.

19 Zijn schoondochter nu, de vrouw van Pinechas, was zwanger en zou spoedig baren. Toen zij het bericht vernam, dat de ark Gods buitgemaakt was en dat haar schoonvader en haar man gestorven waren, kromde zij zich en baarde, want de weeën overvielen haar. 20 Toen zij op sterven lag, spraken de vrouwen die om haar heen stonden: Vrees niet, want gij hebt een zoon gebaard. Doch zij antwoordde niet en sloeg er geen acht op. 21 Zij noemde de jongen Ikabod en zeide: weg is de eer uit Israël – omdat de ark Gods was buitgemaakt en om haar schoonvader en haar man. 22 Zij zeide: Weg is de eer uit Israël, want de ark Gods is buitgemaakt.

 

Zondag 29 augustus 14.00 uur

 

Zondag 52

 

128. Vr. Hoe besluit gij uw gebed?

 

Antw. Want Uwer is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Dat wil zeggen: dit alles vragen wij van U, omdat Gij als onze Koning, die de macht over alles bezit, zowel de wil als het vermogen hebt ons alle goed te geven; en opdat daardoor niet aan ons, maar aan uw heilige Naam eeuwig lof wordt toegebracht.

 

129. Vr. Wat betekent het woord: amen?

 

Antw. Amen wil zeggen: Het is waar en zeker. Want het is veel zekerder dat God mijn gebed verhoort dan dat ik in mijn hart gevoel dat ik die verhoring van Hem begeer.

 

Efeze 3:14-21:

 

14 Om die reden buig ik mijn knieën voor de Vader, 15 naar wie alle geslacht in de hemelen en op de aarde genoemd wordt, 16 opdat Hij u geve, naar de rijkdom zijner heerlijkheid, met kracht gesterkt te worden door zijn Geest in de inwendige mens, 17 opdat Christus door het geloof in uw harten woning make. Geworteld en gegrond in de liefde, 18 zult gij dan samen met alle heiligen, in staat zijn te vatten, hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is, 19 en te kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot alle volheid Gods.

20 Hem nu, die blijkens de kracht, welke in ons werkt, bij machte is oneindig veel meer te doen dan wij bidden of beseffen, 21 Hem zij de heerlijkheid in de gemeente en in Christus Jezus tot in alle geslachten, van eeuwigheid tot eeuwigheid! Amen.

 

Onze kinderen hebben het zondagmiddag over Lukas 14:7-14 :

 

7 Hij vertelde de genodigden een gelijkenis, want hij had gezien hoe ze de ereplaatsen voor zichzelf kozen. Hij zei tegen hen: 8 ‘Wanneer u door iemand wordt uitgenodigd voor een bruiloft, kies dan niet de ereplaats, want misschien is er wel iemand uitgenodigd die voornamer is dan u, 9 en dan moet uw gastheer tegen u zeggen: “Sta uw plaats aan hem af.” Dan zult u beschaamd de minste plaats moeten innemen. 10 Als u wordt uitgenodigd, kies dan de minste plaats, zodat uw gastheer tegen u zal zeggen: “Kom toch dichterbij!” Dan wordt u eer betoond ten overstaan van iedereen die samen met u aan tafel aanligt. 11 Want wie zichzelf verhoogt zal vernederd worden, en wie zichzelf vernedert zal verhoogd worden.’

12 Hij zei ook tegen degene die hem had uitgenodigd: ‘Wanneer u een maaltijd aanbiedt of een feestmaal geeft, vraag dan niet uw vrienden, uw broers, uw verwanten of uw rijke buren, in de verwachting dat zij u op hun beurt zullen uitnodigen om iets terug te doen. 13 Wanneer u mensen ontvangt, nodig dan armen, kreupelen, verlamden en blinden uit. 14 Dan zult u gelukkig zijn, zij kunnen voor u dan wel niets terugdoen, maar u zult ervoor beloond worden bij de opstanding van de rechtvaardigen.’

 

Met een hartelijke, broederlijke groet,

 

Uw C.C. den Hertog

 

Ontvangers van dit bericht zijn vrij het door te sturen. Wilt u de berichten niet langer ontvangen? Een mail aan ccdenhertog@hetnet.nl is voldoende om uw adres te laten verwijderen.

« Naar overzicht

Wees de eerste die reageert op dit bericht! Klik op Plaats een reactie hierboven.

Vul hieronder je gegevens in om te reageren op dit bericht.