30

aug

Preekpost zondag 5 september

Komende zondag hopen we samen het avondmaal te vieren. Bijzonder om dat nu gezamenlijk te vieren. Iets om naar uit te zien! Bij de voorbereiding hebben we geluisterd naar I Samuël 4: de ark is buitgemaakt. In het gedeelte dat daarop volgt (hoofdstuk 5 en 6) horen we wat er met die ark gebeurt in het Filistijnse land. Daar klinkt evangelie in, zoals ik u zondag hoop te laten zien.

Als de ark dan terug is bij het volk trekt Israël opnieuw ten strijde, maar op één punt gaan de dingen nu heel anders. We lezen dat in I Samuël 7. Gods handelen, Gods genade werkt iets uit in het leven van de Israëlieten. Zo wil het avondmaal uitwerken in ons leven.

Ik stuur ook nog even het leesrooster voor de komende week mee. Misschien vergat u het mee te nemen of kon u gisteren niet in de kerk zijn om het even mee te pakken. Mogelijk helpt het u in de voorbereidingsweek om toe te leven naar de viering van komende zondag.

Als u ‘m wilt uitprinten als folder, kunt u onderstaande instructies volgen:

 

1. kies 'afdrukken'

2. Klik bij 'afdrukbereik' op de onderste optie ('Pagina's')

3. Vul vervolgens de paginanummers in in de volgorde: 4,1

4. Kies vervolgens rechtsonder bij het veld In- en uitzoomen bij de mogelijkheid 'aantal pagina's per vel' de mogelijkheid van 2 pagina's

5. Klik op OK

6. Leg de uitgeprinte pagina terug in de papierla van de printer, zodat de andere kant bedrukt kan worden

7. Kies opnieuw 'afdrukken'

8. Klik bij 'afdrukbereik' op de onderste optie ('Pagina's')

9. Vul vervolgens de paginanummers in in de volgorde: 2,3

10. Kies vervolgens rechtsonder bij het veld In- en uitzoomen bij de mogelijkheid 'aantal pagina's per vel' de mogelijkheid van 2 pagina's

11. Klik op OK

Van harte wens ik u allen een gezegende voorbereiding op de komende zondag toe. Wat mooi om samen het avondmaal te gaan vieren!

Zondag 5 september 9.30 uur

I Samuël 5&6:

1 De Filistijnen hadden de ark Gods buitgemaakt en haar van Eben-Haëzer naar Asdod gebracht. 2 Toen namen de Filistijnen de ark Gods, brachten haar in de tempel van Dagon en zetten haar neer naast Dagon. 3 Toen de Asdodieten de volgende morgen vroeg opstonden, zie, Dagon was op zijn gezicht ter aarde gevallen vóór de ark des HEREN; en zij namen Dagon en zetten hem weer op zijn plaats. 4 Maar toen zij de volgende morgen vroeg opstonden, zie, Dagon was op zijn gezicht ter aarde gevallen vóór de ark des HEREN, maar het hoofd van Dagon en zijn beide handen lagen afgehouwen op de drempel, slechts de romp was nog over. 5 Daarom treden de priesters van Dagon en allen die de tempel van Dagon binnengaan, niet op de drempel van Dagon te Asdod, tot op de huidige dag.

6 Zwaar drukte de hand des HEREN op de Asdodieten en Hij verbijsterde hen: Hij sloeg hen met builen, zowel Asdod als het omliggende gebied. 7 Toen de mannen van Asdod zagen, dat de zaken zo stonden, zeiden zij: De ark van de God van Israël mag bij ons niet blijven, want zijn hand is hard tegen ons en tegen onze god Dagon. 8 Daarom riepen zij alle stadsvorsten der Filistijnen bijeen en zeiden: Wat zullen wij doen met de ark van de God van Israël? En zij zeiden: De ark van de God van Israël moet naar Gat worden overgebracht.

Zij brachten dus de ark van de God van Israël daarheen over. 9 Maar nadat zij haar overgebracht hadden, trof de hand des HEREN de stad met een zeer grote verwarring: Hij sloeg de bewoners van de stad, klein en groot, zodat builen bij hen uitbraken. 10 Toen zonden zij de ark Gods naar Ekron. Maar zodra de ark Gods in Ekron kwam, jammerden de Ekronieten: Zij brengen de ark van de God van Israël tot ons om ons en ons volk te doden. 11 Zij riepen daarom alle stadsvorsten der Filistijnen bijeen en zeiden: Zendt de ark van de God van Israël weg; laat zij terugkeren naar haar eigen plaats, opdat zij ons en ons volk niet dode. Want in de gehele stad heerste een dodelijke verwarring; de hand Gods drukte daar zeer zwaar: 12 de mannen die niet gestorven waren, werden met builen geslagen, zodat het gejammer der stad ten hemel klom.

1 Toen de ark des HEREN zeven maanden in het gebied der Filistijnen geweest was, 2 riepen de Filistijnen de priesters en de waarzeggers en vroegen hun: Wat moeten wij doen met de ark des HEREN? Geeft ons te kennen, hoe wij haar zullen terugzenden naar haar eigen plaats. 3 Zij zeiden: Wanneer gij de ark van de God van Israël terugzendt, dan moet gij haar niet zonder meer heenzenden, maar gij moet Hem in ieder geval genoegdoening geven; dan zult gij genezen en zal u bekend worden, waarom zijn hand niet van u wijkt. 4 Daarop vroegen zij: Welke genoegdoening zullen wij Hem geven? En zij antwoordden: Naar het aantal van de stadsvorsten der Filistijnen, vijf gouden builen en vijf gouden muizen, want eenzelfde plaag treft allen, ook uw stadsvorsten. 5 Maakt dus afbeeldingen van uw builen en van de muizen, die het land verwoesten, en bewijst de God van Israël hulde. Misschien zal Hij de druk van zijn hand van u, van uw goden en van uw land wegnemen. 6 Waarom toch zoudt gij uw hart verharden, zoals de Egyptenaren en Farao hun hart verhard hebben? Lieten zij hen niet trekken, toen Hij hun zijn macht liet gevoelen, en zij gingen? 7 Nu dan, neemt en maakt gereed een nieuwe wagen met twee zogende koeien, die nog geen juk gedragen hebben; spant die koeien voor de wagen, maar brengt haar kalveren bij haar vandaan naar huis terug. 8 Neemt dan de ark des HEREN, zet haar op de wagen en legt de gouden voorwerpen, die gij Hem als genoegdoening geeft, in een kistje ernaast. Zendt haar dan weg; laat zij gaan. 9 Geeft acht: indien zij de weg naar haar gebied opgaat, naar Bet-Semes, dan is Hij het, die dit grote onheil over ons gebracht heeft. En zo niet, dan weten wij, dat niet zijn hand ons getroffen heeft; dan is het ons toevallig overkomen.

10 De mannen deden alzo. Zij namen twee zogende koeien en spanden die voor de wagen, maar haar kalveren hielden zij thuis. 11 Zij zetten de ark des HEREN op de wagen, evenals het kistje met gouden muizen en de afbeeldingen van hun gezwellen. 12 De koeien gingen regelrecht de weg op naar Bet-Semes; zij liepen al loeiende rechtdoor zonder naar rechts of links af te buigen, en de stadsvorsten der Filistijnen volgden ze tot aan het gebied van Bet-Semes toe. 13 De mensen van Bet-Semes waren juist bezig met het oogsten van de tarwe in de vallei. Toen zij opkeken, zagen zij de ark, en zij waren verheugd haar te zien. 14 De wagen nu kwam bij het veld van de Bet-Semiet Jehosua en hield daar stil. Daar lag een grote steen. Zij kloofden het hout van de wagen en offerden de koeien als een brandoffer voor de HERE. 15 De Levieten hadden de ark des HEREN met het kistje, dat daarbij stond, waarin de gouden voorwerpen waren, afgeladen en op de grote steen geplaatst, en op die dag offerden de mannen van Bet-Semes de HERE brandoffers en slachtten Hem slachtoffers. 16 Toen de vijf stadsvorsten van de Filistijnen dit zagen, keerden zij op dezelfde dag naar Ekron terug.

17 Dit nu zijn de gouden gezwellen, die de Filistijnen als genoegdoening de HERE gaven: één voor Asdod, één voor Gaza, één voor Askelon, één voor Gat, één voor Ekron; 18 verder de gouden muizen naar het getal van alle steden der Filistijnen, die aan de vijf stadsvorsten behoorden, van de versterkte steden af tot de dorpen toe; en getuige is tot op de huidige dag de grote steen, waarop zij de ark des HEREN geplaatst hebben, in het veld van de Bet-Semiet Jehosua.

19 En Hij richtte een slachting aan onder de mannen van Bet-Semes, omdat zij de ark des HEREN bekeken hadden; Hij sloeg van het volk zeventig man, vijftig op de duizend. Het volk bedreef rouw, omdat de HERE zulk een grote slachting onder het volk had aangericht. 20 En de mannen van Bet-Semes zeiden: Wie kan bestaan voor het aangezicht van de HERE, deze heilige God? Naar wie zal Hij bij ons vandaan optrekken? 21 En zij zonden naar de bewoners van Kirjat-Jearim boden, die moesten zeggen: De Filistijnen hebben de ark des HEREN teruggebracht; daalt af en voert ze tot u.

 

Zondag 5 september 14.00 uur

I Samuël 7:

1 De mannen van Kirjat-Jearim kwamen, voerden de ark des HEREN mee en brachten haar in het huis van Abinadab op de heuvel. En zijn zoon Elazar heiligden zij om voor de ark des HEREN zorg te dragen.

2 Van de dag af, dat de ark in Kirjat-Jearim verbleef, verliep er een geruime tijd – twintig jaar – en het gehele huis Israëls achtervolgde de HERE met zijn klachten. 3 Toen zeide Samuël tot het gehele huis Israëls: Indien gij u met uw gehele hart tot de HERE bekeert, doet dan de vreemde goden en de Astartes uit uw midden weg en richt uw hart op de HERE en dient Hem alleen; dan zal Hij u redden uit de macht der Filistijnen. 4 Daarop deden de Israëlieten de Baäls en de Astartes weg en dienden de HERE alleen. 5 Toen zeide Samuël: Roept geheel Israël bijeen te Mispa; dan zal ik voor u tot de HERE bidden. 6 Te Mispa bijeengekomen, putten zij water en goten het uit voor het aangezicht des HEREN. Ook vastten zij op die dag en zeiden daar: Wij hebben tegen de HERE gezondigd. En Samuël richtte de Israëlieten te Mispa. 7 Toen de Filistijnen hoorden, dat de Israëlieten zich verzameld hadden te Mispa, trokken de stadsvorsten der Filistijnen tegen Israël op. De Israëlieten hoorden dit, en zij werden bevreesd voor de Filistijnen. 8 En de Israëlieten zeiden tot Samuël: Laat niet na voor ons tot de HERE, onze God, te roepen, opdat Hij ons verlosse uit de macht der Filistijnen. 9 Toen nam Samuël een melklam en offerde het in zijn geheel de HERE tot een brandoffer. En toen Samuël voor Israël tot de HERE riep, antwoordde de HERE hem.

10 Terwijl Samuël bezig was het brandoffer te brengen, rukten de Filistijnen op ten strijde tegen Israël, maar de HERE deed te dien dage machtig de donder rollen over de Filistijnen en bracht hen in verwarring, zodat zij tegen Israël de nederlaag leden. 11 De mannen van Israël trokken toen uit Mispa, vervolgden de Filistijnen en versloegen hen tot beneden Bet-Kar. 12 En Samuël nam een steen en stelde die op tussen Mispa en Sen; hij gaf hem de naam Eben-Haëzer, en zeide: Tot hiertoe heeft ons de HERE geholpen. 13 Zo werden de Filistijnen vernederd en drongen het gebied van Israël niet meer binnen. De hand des HEREN was tegen de Filistijnen al de dagen van Samuël, 14 en de steden die de Filistijnen aan Israël ontnomen hadden, kwamen opnieuw aan Israël, van Ekron af tot Gat toe; en Israël ontrukte het daarbij behorende gebied aan de macht der Filistijnen. Ook was er vrede tussen Israël en de Amorieten.

15 Samuël nu was richter over Israël, zolang hij leefde. 16 Hij maakte van jaar tot jaar een rondreis langs Betel, Gilgal en Mispa, en richtte Israël op al deze plaatsen; 17 daarna keerde hij naar Rama terug, want daar was zijn huis en daar richtte hij Israël; en hij bouwde daar de HERE een altaar.

Onze kinderen hebben het zondagmiddag over Lukas 14:12-24 :

12 Hij zei ook tegen degene die hem had uitgenodigd: ‘Wanneer u een maaltijd aanbiedt of een feestmaal geeft, vraag dan niet uw vrienden, uw broers, uw verwanten of uw rijke buren, in de verwachting dat zij u op hun beurt zullen uitnodigen om iets terug te doen. 13 Wanneer u mensen ontvangt, nodig dan armen, kreupelen, verlamden en blinden uit. 14 Dan zult u gelukkig zijn, zij kunnen voor u dan wel niets terugdoen, maar u zult ervoor beloond worden bij de opstanding van de rechtvaardigen.’

15 Toen een van de anderen die aan tafel aanlagen dit hoorde, zei hij tegen hem: ‘Gelukkig al wie zal deelnemen aan de maaltijd in het koninkrijk van God!’ 16 Jezus vervolgde: ‘Iemand wilde een groot feestmaal geven en nodigde tal van gasten uit. 17 Toen het tijd was voor het feestmaal, stuurde hij zijn dienaar naar de genodigden om tegen hen te zeggen: “Kom, want alles is klaar.” 18 Maar een voor een begonnen ze zich te verontschuldigen. De eerste zei: “Ik heb net een akker gekocht, die ik beslist moet gaan bekijken. Tot mijn spijt kan ik de uitnodiging niet aannemen.” 19 En een ander zei: “Ik heb vijf span ossen gekocht en ik ga ze keuren; tot mijn spijt kan ik de uitnodiging niet aannemen.” 20 Weer een ander zei: “Ik ben pas getrouwd en daarom kan ik niet komen.” 21 Toen de dienaar teruggekomen was, bracht hij zijn heer verslag uit. De heer des huizes ontstak in woede en zei tegen zijn dienaar: “Ga vlug de stad in en breng uit de straten en stegen de armen en kreupelen en blinden en verlamden hierheen.” 22 Toen de dienaar hem kwam melden: “Heer, wat u hebt opgedragen is gebeurd, en nog is er plaats,” 23 zei de heer tegen hem: “Ga naar de wegen en de akkers buiten de stad en nodig iedereen met klem uit, want mijn huis moet vol zijn. 24 Ik zeg jullie: niemand van degenen die eerst uitgenodigd waren, zal van mijn feestmaal proeven.”’

Met een hartelijke, broederlijke groet,

Uw C.C. den Hertog

« Naar overzicht

Wees de eerste die reageert op dit bericht! Klik op Plaats een reactie hierboven.

Vul hieronder je gegevens in om te reageren op dit bericht.